Leren, werken en pensioen


Mensen zijn de drijvende kracht achter een bloeiende economie. Werk is een groot goed. Om mensen klaar te stomen voor de arbeidsmarkt is een kwalitatief hoogstaand onderwijssysteem dat iedereen een kans biedt van onmiskenbaar belang. Om de kennis en kunde van mensen uiteindelijk ook te benutten moet de doorstroming naar en aansluiting met de arbeidsmarkt optimaal zijn, zodat er zo efficiënt mogelijk gebruik kan worden gemaakt van het opgebouwde menselijk kapitaal.

Onderwijs
  
Iedere jongere moet de kans krijgen onderwijs te volgen. Het hebben van een goede startkwalificatie is een voorwaarde om later te kunnen concurreren op de arbeidsmarkt. De hele onderwijscarrière moet een aaneengesloten keten zijn van basisonderwijs tot vervolgopleiding, zodat schooluitval wordt voorkomen.
De JOVD is een tegenstander van door de overheid gefinancierd bijzonder onderwijs. Een bijzondere levensbeschouwelijke vorming is iets voor thuis of in de geloofsgemeenschap en niet voor school. Scholen moeten een openbaar karakter hebben waarin iedereen, religieus of niet, een fatsoenlijke opleiding krijgt en een algemene maatschappelijke vorming. Er moet aandacht worden besteed aan levensbeschouwelijke en religieuze opvattingen in de breedte, en niet aan slechts een enkele daarvan.  

Basisonderwijs
   
Het lager onderwijs legt de basis voor het onderwijs daarna en is erop gericht kinderen voor te bereiden op het latere maatschappelijke leven. Het basisniveau van kennis moet landelijk worden bepaald en overal hetzelfde zijn zodat de onderwijsinhoud en -kwaliteit overal een minimumniveau hebben. Om dit te toetsen wordt de Cito-toets overal verplicht afgenomen. Aanvullend worden er in de laatste drie jaar van het basisonderwijs meerdere toetsmomenten ingebouwd om de kennis van de leerlingen te toetsen. De mening van de docent blijft echter zwaarwegend bij het advies voor het voorgezet onderwijs.
Het is belangrijk dat ouders betrokken zij bij het beleid van de school. Daarom moet elke basisschool medezeggenschap organiseren, zodat de ouders de directie kunnen bijsturen in het beleid van de school.

Voortgezet onderwijs
   
In het voortgezet onderwijs moet de nadruk liggen op het ontdekken en ontwikkelen van talenten van scholieren. Zo kan iedere scholier weloverwogen een keuze maken voor een vervolgopleiding. Verder is het belangrijk om vakken en vaardigheden te ontwikkelen die van pas komen op de arbeidsmarkt en in de maatschappij. Scholen moeten zelf het onderwijs in kunnen richten, met de door het ministerie geformuleerde kerndoelen als handvat. De expertise van de docenten staat voorop.
De nu geldende profielen op havo en vwo zijn een belemmering voor de vrijheid die scholen hebben in het samenstellen van hun curriculum. De vier profielen moet worden gewijzigd in drie basisstromingen met meer ruimte voor keuzevakken. Dit wordt een alfa, bèta en gamma stroming, waarbij alfa gericht is op taal en cultuur, bèta op exacte vakken en gamma op de economische vakken.
Het VMBO is een te brede verzameling van veel verschillende niveaus en leerlingen met de meest uiteenlopende talenten. Vaak is een groot deel van het verplichte curriculum niet relevant of toereikend voor bijvoorbeeld de meer praktische of theoretisch ingestelde leerlingen. Daarom moet de MAVO in ere worden hersteld, voor talenten in de dop die een langere aanloop en een goede aansluiting op HAVO en beroepsonderwijs nodig hebben. Voor de overige leerlingen kan weer worden teruggegaan naar beroeps- en talentgericht onderwijs, met meer praktijkvakken en minder ballast.
De eindtermen van het voortgezet onderwijs moeten aangepast worden op de aanvangsniveaus van de opleidingen daarna. Op de middelbare school moet het mogelijk zijn vakinhoudelijk de breedte op te zoeken, maar het is zeer wenselijk om ook verdieping verplicht te stellen om de aansluiting met een vervolgopleiding soepel te laten verlopen. Zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs dient voldoende aandacht besteed te worden aan de algemene ontwikkeling van leerlingen. Hiervoor zijn vakken als geschiedenis en CKV erg belangrijk.  

Beroeps- en hoger onderwijs
   
Het Nederlands hoger onderwijs kampt momenteel met een schrijnend gebrek aan ambitie. Nederland is zijn positie als vooraanstaand land op het gebied van de wetenschap aan het verliezen. Studenten moeten de kans krijgen te excelleren en de nadruk moet liggen op prestaties. Om een hoger ambitieniveau te kunnen bereiken is kwalitatief hoogstaand hoger onderwijs nodig, maar moet er ook meer van de student verwacht kunnen worden. Om die kwaliteitsimpuls te krijgen moet er meer concurrentie zijn tussen onderwijsinstellingen. Onderwijsinstellingen moeten niet alleen worden afgerekend op het aantal studenten dat afstudeert, maar ook op de prestaties van studenten.
Studenten worden tot het hoger onderwijs toegelaten als zij beschikken over het juiste diploma van de middelbare school. Dit moet zo blijven. Het niveau van studenten wordt niet verhoogd door selectie aan de poort, maar juist door kwalitatief hoogstaand onderwijs aan te bieden.
Het is belangrijk dat een onafhankelijk orgaan hbo- en universitaire opleidingen accrediteert, zoals ook nu al het geval is. Zij zien erop toe dat opleidingen gecontroleerd worden op hun resultaten. In het hbo zal dan met name naar praktijkkennis en -vaardigheden worden gekeken. In het wetenschappelijk onderwijs wordt vooral gekeken naar academische vaardigheden. 
De overheid moet wel zelf een bepaald niveau van kwaliteit garanderen en ervoor zorgt dat iedereen die daartoe in staat is, een hbo- of wetenschappelijke opleiding kan volgen. Het uitgangspunt dat nu geldt bij het voorgezet onderwijs, namelijk dat de overheid een opleiding aanbiedt, moet ook gelden in het hoger onderwijs. Dan is ook geen studiefinanciering meer nodig. Wel moeten er tegen zeer lage rente leningen kunnen worden verstrekt aan studenten voor levensonderhoud en studiekosten. Deze leningen moeten naar draagkracht worden afgelost.
Het Nederlands hoger onderwijs kent al de internationaal gelijkgeschakelde BaMa-structuur. Het uitgangspunt hierbij is dat een bachelordiploma voldoende bagage is om de stap naar de arbeidsmarkt te maken. Dat is nog lang niet altijd de werkelijkheid, en daarom moet de kwaliteit van de bacheloropleidingen voldoende gewaarborgd worden. Een hbo-propedeuse is niet voldoende om toegang te krijgen tot de bacheloropleiding op de universiteit. Hiervoor bestaan voldoende andere mogelijkheden.
Invoering van topmasters voor uitmuntende studenten dient te worden aangemoedigd. Op het gebied van toelating en prestaties mogen hier strikte eisen aan studenten worden gesteld. Universiteiten mogen voor deze topmasters een hoger collegegeld vragen. Maar ook reguliere masteropleidingen moeten zich ontwikkelen tot datgene waar  ze voor bedoeld zijn: de absolute top van het onderwijs. Zo kan het Nederlandse onderwijs de concurrentie aangaan met toonaangevende buitenlandse opleidingen.
Waar docenten en onderzoekers zo vrij mogelijk moeten worden gelaten in de uitoefening van hun vak, moeten studenten zo vrij mogelijk zijn in de samenstelling van hun curriculum, het volgen van onderwijs en het plannen van hun studieloopbaan. Het is belangrijk dat zowel docenten als studenten een grote mate van inspraak kunnen hebben in de inrichting van onderwijs en onderzoek, de hoofdtaken van onderwijs- en kennisinstellingen.
Het merendeel van de scholieren gaat na het middelbaar onderwijs naar het middelbare beroepsonderwijs. Het is van groot belang dat zij een praktische opleiding krijgen waarin hun talenten benut worden en ze optimaal voorbereid worden op de arbeidsmarkt. Om iedereen op zijn niveau te laten werken blijft de verdeling in vier niveaus. Niveau 1 en 2 zijn praktische opleidingen en sluiten aan op de voorbereidende beroepsopleidingen. De niveau 3 en 4 opleidingen zijn meer theoretisch en sluiten aan op de theoretische leerweg.
Voor een goede aansluiting op de arbeidsmarkt is van belang dat brancheorganisaties invloed hebben op de eindtermen. De kenniscentra van de brancheorganisaties bepalen samen met de scholen de eindtermen. Minstens drie vierde van de eindtermen zijn landelijk geldende normen. Een kwart van de eindtermen kunnen regionaal bepaald worden. De nadruk moet liggen op praktische vakken en theoretisch aanverwante vakken. Daarnaast zijn de algemeen vormende vakken als Nederlands, wiskunde en Engels verplicht voor elke opleiding. Het vastleggen van vaardigheden in de eindtermen is een waardevolle aanvulling, maar de focus moet liggen op de kennisvakken. Het competentiegericht onderwijs moet daarom weer plaats maken voor het systeem van deelkwalificaties.
Een belangrijk onderdeel van de opleiding is de Beroepspraktijkvorming (BPV) of stage. Scholen en bedrijven dienen intensief samen te werken met het bedrijfsleven om een kwalitatief goede BPV te garanderen. In het beroepsonderwijs moet het lokaal bedrijfsleven worden betrokken, zodat beter kan worden samengewerkt op het gebied van stages en vakopleidingen. In het MBO moet de focus liggen op het leren van een vak of een ambacht.
Onderwijs is een langetermijninvestering. Dit is een feit dat vaak vergeten wordt door politici, waardoor onderwijs niet altijd op de eerste plaats staat wanneer het geld verdeeld wordt. Volgens de JOVD moet onderwijs echter altijd op de eerste plaats staan, het gaat immers over de opleiding van toekomstige generaties Nederlanders. De JOVD vindt dan ook dat er significant meer geld naar onderwijs moet dan nu het geval is.    

Wetenschap en innovatie
   
 
In een snel veranderende wereld is vernieuwing van levensbelang. Dit is nodig om ervoor te zorgen dat het Nederlandse bedrijfsleven in de voorhoede van de wereldeconomie meespeelt. Het is daarom nodig voldoende te investeren in kennis en innovatie. Hierbij moeten wetenschap, bedrijfsleven en overheid goed samenwerken. De kennis wordt gestalte gegeven door het talent op universiteiten en hogescholen, dat door middel van overheidsfinanciering en steun uit het bedrijfsleven de ruimte moet krijgen om ideeën uit te werken. Een constante wisselwerking tussen deze drie spelers moet een impuls geven aan de Nederlandse kenniseconomie.    

Ondernemerschap
    
Onze economie wordt voor een groot deel gedragen door het midden- en kleinbedrijf. Het stimuleren van nieuwe bedrijvigheid is een dé manier om werkgelegenheid te creëren. Ondernemen en ondernemerschap moet zoveel mogelijk worden gestimuleerd. De beste manier om dat te doen is ervoor te zorgen dat regeldruk en bureaucratie zoveel mogelijk worden ingeperkt. Op scholen kan ondernemerschap al worden aangemoedigd, maar de overheid kan ook een actieve rol spelen in het begeleiden van startende ondernemers op weg naar hun eigen succes. Het krijgen van een startlening moet daarom zo gemakkelijk mogelijk gemaakt worden. Om bedrijvigheid te blijven bevorderen moet een lage vennootschapsbelasting worden gehanteerd.    

Werk en ontslag
 
 
Aan het werk zijn en blijven is een groot goed. Echter, soms raken mensen hun baan kwijt en komen ze terecht in een uitkeringssituatie. De sociale zekerheid biedt een vangnet, maar is momenteel in teveel gevallen een belemmering voor een optimaal functionerende arbeidsmarkt.
Het huidige ontslagrecht belemmert een goede doorstroom op de arbeidsmarkt. Doordat werknemers een hoge mate van ontslagbescherming hebben, is het voor bedrijven een grote moeite om hen te ontslaan als de bedrijfseconomische omstandigheden daarom vragen of als de werknemer niet goed functioneert. Dat heeft als keerzijde dat met name kleinere bedrijven huiverig zijn nieuw personeel aan te nemen, omdat de bijkomende risico's van ontslagbescherming te groot zijn als het minder goed gaat met een bedrijf. Minderheidsgroepen, zoals allochtone Nederlanders, ouderen en jongeren zijn hier voornamelijk de dupe van. Het ontslagrecht moet daarom flexibel zijn. Dit heeft ook tot gevolg dat reorganisaties goedkoper worden voor bedrijven, waardoor de niet de voor werknemers veel nadeligere route van faillissement hoeft te worden gevolgd.
Ambtenaren moeten net als andere werknemers afgerekend worden op basis van prestaties. Er moet geen sprake zijn van een automatische periodieke salarisverhoging. Dit houdt ook in dat oudere werknemers niet per definitie meer verdienen dan jongeren. Ervaring en prestatie zijn leidend, niet de leeftijd van de werknemer. Bij achterblijvende prestaties moet het eenvoudiger worden om een ambtenaar te kunnen ontslaan.
Als een werknemer ontslagen wordt, kan hij in eerste instantie terugvallen op een WW-uitkering. Gedurende de driejarige looptijd van een WW-uitkering wordt deze per maand afgebouwd tot bijstandsniveau. Wanneer een werknemer minder dan drie jaar werkervaring heeft loopt de WW-uitkering ook ten langste voor het aantal maanden dat de werknemer heeft gewerkt.
Het hebben van een uitkering is niet vrijblijvend, en moet er altijd op gericht zijn mensen zo snel mogelijk weer aan een reguliere baan te helpen. Wie in een uitkering zit en onvoldoende bagage heeft om weer de arbeidsmarkt op te kunnen heeft het recht en de plicht om onderwijs en trainingen te volgen. Bijstandsgerechtigden hebben een sollicitatieplicht. Gemeenten mogen de bijstandsuitkering van werkweigeraars verlagen. Jongeren tot 27 jaar hebben behoudens arbeidsongeschiktheid geen recht op een uitkering, maar zijn aan het werk, volgen een opleiding of een combinatie van beide. Zo wordt voorkomen dat mensen al op jonge leeftijd afhankelijk worden van een bijstandsuitkering.
Mensen in de ziektewet worden om het jaar verplicht herkeurd. De focus hierbij ligt op de mogelijkheden en niet op de onmogelijkheden van het individu. 
Werken moet lonen. Daarom moet de zogenaamde armoedeval worden voorkomen. Tussen het minimuminkomen en een uitkering zit dankzij allerlei financiële voordelen voor uitkeringsgerechtigden vaak een groot negatief verschil. Daarom moeten uitkeringen worden 'ontkoppeld'. Dat wil zeggen dat de uitkeringen niet langer meestijgen met het welvaartspeil, maar met de prijsindex. Zo wordt voorkomen dat uitkeringsgerechtigden in basisniveau achteruit gaan, maar wordt het wel elk jaar aantrekkelijker om op zoek te gaan naar werk. Verder moet er flink gesnoeid worden in buitensporige (financiële) voordelen voor bijstandsgerechtigden.

AOW en pensioen
  
Door het natuurlijke fenomeen dat de ene generatie in grootte verschilt van de andere, ontstaan in het AOW- en pensioenstelsel binnen afzienbare tijd grote problemen. De vergrijzing zal een grote druk leggen op de collectieve voorzieningen, met name op de AOW en het pensioen.
Het hebben van een omslagsysteem zoals de AOW heeft als voordeel dat de lasten worden verdeeld over grote groepen. Het nadeel is dat dit systeem in onbalans kan raken als de groep AOW-gerechtigden relatief groter wordt dan de groep werkenden. Om de vergrijzingsgolf te weerstaan moet de pensioengerechtigde leeftijd worden verhoogd naar 67 en moet de hoogte van de pensioenpremie ingeschaald worden naar leeftijdscohorten. Uiteindelijk moet worden toegewerkt naar een pensioenstelsel met zelf gespaard pensioen, zodat mensen zelf de verantwoordelijkheid dragen voor hun oudedagsvoorziening middels een particuliere verzekering.
Het stelsel van verplichte pensioenfondsen per sector of bedrijfstak is een overblijfsel uit de tijd dat het vanzelfsprekend was je hele werkzame leven bij dezelfde werkgever te blijven. Dat is tegenwoordig wel anders en heeft tot gevolg dat het wisselen van werkgever in sommige gevallen ook het verplicht wisselen van pensioenfonds betekent, met de mogelijke financiële nadelen. Het systeem van pensioenfondsen moet worden omgevormd naar een soortgelijk stelsel als dat van de zorgverzekering. De werknemer moet zelf kunnen kiezen bij welk pensioenfonds hij zich aansluit. Zo kan er marktwerking ontstaan en kan de werknemer profiteren van het beste aanbod. In dit systeem kunnen ook zzp'ers meedoen zonder afhankelijk te zijn van een dure individuele pensioenverzekering. Het is belangrijk dat die pensioenverzekeraars zich houden aan strakke regels om de risico’s voor hun klanten te minimaliseren.