Nieuws : Discussie homowet toont problematiek bijzonder onderwijs aan
Het conflict tussen de coalitiepartners CDA, PvdA en de ChristenUnie over het al dan niet aanpassen van de regels omtrent het aannemen en ontslaan van homoseksuele leraren binnen het bijzonder onderwijs heeft afgelopen week wederom niet tot een bevredigende uitkomst geleid. Minister Plasterk van Onderwijs, verantwoordelijk voor homo-emancipatie, bepleit een aanpassing van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) door de uitzonderingsregel voor het bijzonder onderwijs daaruit te schrappen. De wet maakt het verboden docenten te ontslaan omwille van het feit dat ze homoseksueel zijn, maar een uitzonderingsbepaling maakt het wel mogelijk docenten te ontslaan wanneer de ‘persoonlijke levenstijl' niet strookt met de grondslag van de school. Aangezien dit in de praktijk alsnog ruimte biedt voor discriminatie op grond van seksuele geaardheid wil Plasterk dan ook de wet aanpassen, maar dit leidt tot een zodanige verdeeldheid tussen de partijen dat men advies gaat vragen bij de Raad van State, een traject dat waarschijnlijk minstens een half jaar vertraging zal gaan opleveren. Het CDJA, de jongerenafdeling van het CDA, liet eerder dit jaar weten dat bijzondere scholen (in dit geval van reformatorische inslag) ondanks de gelijkwaardigheid van homo- en heteroseksuelen het recht moeten behouden om leraren omwille van hun levensstijl te weigeren. Zij stellen hierbij dat grondwetsartikel 1 en 23 niet voor elkaar onder doen, wat in de praktijk betekent dat deze vorm van discriminatie door artikel 23 gewaarborgd blijft. Het kan ze dan ook in ieder geval niet aangerekend worden geen stelling te nemen, ongeacht dat we het hartgrondig met hen oneens zijn. Hun moederpartij en christelijke coalitiegenoot ontwijken vooralsnog tactisch de werkelijke discussie en lijken de toorn van de homotolerante Nederlandse stemmers te vrezen. Wat alle partijen zich dienen te realiseren is niet alleen dat het bijzonder onderwijs met handhaving van de huidige regel verder bijdraagt aan segregatie in de maatschappij, maar dat er ook een duidelijk signaal van uitgaat dat ‘homo zijn' niet oké is. Nu is dit voor de docent met de vrijheid om overal te solliciteren niet het grootste probleem, maar voor de jongere die twijfelt over zijn seksuele geaardheid genoeg reden om gedurende zijn of haar schoolcarrière vooral niet uit de kast te komen. Een bijzondere school zou bovendien de kans hebben bij volledige acceptatie van seksuele diversiteit om de eventuele ‘losbandige levensstijl' te voorkomen door middel van een actief waarden debat binnen de school. In plaats daarvan wordt gekozen voor exclusie waarmee de psychische gezondheid van de betrokken jongeren ernstig geschaad wordt, wat op latere leeftijd alsnog kan leiden tot zeer losbandig en gevaarlijk gedrag. Ik ben van mening dat er in ieder geval een keuze moet worden gemaakt tussen aanpassing van artikel 23, dan wel de afschaffing ervan. Deze merkwaardige uitzonderingsbepaling binnen het bijzonder onderwijs is het boegbeeld van de nog immer bestaande intolerantie, en het is aan de huidige regering om hier voor eens en altijd mee af te rekenen. Indien vanuit de filosofie achter de bijzondere school dit een onmogelijkheid blijkt, zullen we het bijzonder onderwijs alsnog in zijn geheel ter discussie moeten stellen. Artikel 23 was een kleine eeuw geleden de prijs die liberalen aan de christelijke partijen hebben betaald om het algemeen kiesrecht binnen te halen. Tijden zijn veranderd, maar de opstelling van bijzondere scholen reflecteert dat niet. Het moment is aangebroken om een keuze te maken: of vanuit andere grondslag scholen volledig op laten gaan in de open samenleving met bijbehorende tolerantie, dan wel exclusief te kiezen voor een openbaar scholensysteem waarbij ideeën uit een ver verleden geen ruimte meer krijgen. Jan de Geus |
Reageer snel!
Beter als hij anderen het recht geeft om hun kinderen op te voeden zoals zij willen.
Afschaffen dat verlichtingsfundamentalisme
Klik hier voor het nieuwsarchief
- Deel deze pagina



