De politieke partijen in Nederland kunnen jaarlijks rekenen op een gulle gift van de Nederlandse belastingbetaler. In totaal kregen de politieke partijen in 2009 een bedrag van ruim 15 miljoen euro van de nationale overheid. Dit is niet alleen veel publiek geld, maar zorgt tegelijkertijd voor een ongelijk speelveld en maakt partijen lui. Daarom pleit de JOVD voor de afschaffing van subsidies aan politieke partijen: laat partijen hun eigen broek maar ophouden.
Politieke partijen ontvangen vanaf eind jaren ’60 subsidies van de overheid. Het begon met subsidies voor specifieke doelen, zoals vorming, scholing en voor een wetenschappelijk instituut, maar werd al snel de boei waarop politieke partijen zijn gaan drijven. Want naast werkzaamheden “ten behoeve van het algemeen nut”, mogen politieke partijen sinds 2005 de gelden ook gebruiken voor verkiezingscampagnes en ledenwerving. Terwijl het bedrag dat uitgekeerd werd aan politieke partijen in de decennia na de jaren ’60 steeg, nam het ledental van politieke partijen sterk af. Dit daalde van ruim 730 duizend in 1960 tot een goede 300 duizend in 2010. In 2009 bestonden de inkomsten van het CDA voor zo’n 42 procent uit overheidssubsidie. Bij andere partijen is dit niet veel lager, met bijvoorbeeld 38 procent voor de VVD en 33 procent voor de PvdA.
Ook de JOVD hangt aan de subsidiekraan. In 2009 ontving de JOVD maar liefst 133 duizend euro subsidie van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Afschaffing daarvan zou ook voor ons een grote aderlating zijn, dat mag voor zich spreken. Maar wij werken wel aan een toekomst zonder subsidies. Zo sparen wij zorgvuldig en zijn wij druk bezig om onze inkomsten door groeiend ledental en gulle, vrijwillige gevers te vergroten. Het is niet makkelijk, maar uiteindelijk zal de organisatie zich ernaar vormen. Dat verwachten wij toch net zo goed ook van ontwikkelingshulporganisaties?
De belangrijkste geldbron van politieke partijen wordt beheerd door de overheid die bestuurd wordt door dezelfde politieke partijen. Daardoor ontstaat een soort van zelfbehoud waardoor partijen die anders zijn ingericht dan via het klassieke partijlidmaatschap geen recht hebben op subsidie, zoals bijvoorbeeld de PVV van Geert Wilders. Hij zou aan de hand van de afgelopen verkiezingsuitslag recht hebben gehad op ruim 1,2 miljoen euro subsidie. Hij krijgt echter niets, want zijn partij is volgens de regels geen partij.
Hiermee maakt de ruimhartige subsidiëring van politieke partijen de politieke arena tot een ongelijk speelveld, een exclusief stelsel. Slechts partijen die al in de macht opereren kunnen rekenen op geld en ook slechts dan wanneer ze geheel voldoen aan het beeld zoals politieke partijen er zo’n honderd jaar geleden uitzagen. De wereld verandert, de maatschappij verandert, maar politieke partijen lijken zich –via de overheidssubsidiëring- angstvallig vast te klampen aan hoe het vroeger was.
Wat kunnen politieke partijen dan doen? Gebruikmaken van de samenleving. Dit kabinet wil verantwoordelijkheden terugleggen bij de burger, als individu en als samenleving. In dat licht vragen wij van bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerkingsorganisaties en de cultuursector om hun bestaansrecht te ontlenen aan hun verbinding met de samenleving. Een prima ontwikkeling. Maar waarom laten we de samenleving dan niet zelf zorgen voor politieke partijen? Omdat ze van algemeen nut zijn en het stelsel niet zonder subsidies kan? Gedeeltelijk maar: Geert Wilders bewijst dat hij geen klassieke partij (en overheidssubsidies) nodig heeft om het ver te schoppen en daarnaast zijn er andere manieren om personen te laten dingen naar een zetel in ons parlement, de provinciale staten of de gemeenteraad. En is het juist niet van het grootste belang voor politieke partijen toch voornamelijk gedragen worden door de samenleving? Als de kloof tussen de burger en de politiek ergens gedicht kan worden, dan is dat in de portemonnee. Een burger doneert alleen als hij zich betrokken en verwant voelt bij de politiek en de politieke partij in kwestie. En een politieke partij loopt graag iets harder als het voortbestaan van de partij er van afhangt.
Politieke partijen, en daarmee directe politieke invloed, zouden volgens sommigen te koop zijn voor grote bedrijven en belangenorganisaties wanneer partijen zelf verantwoordelijk zijn voor hun inkomsten. Maar hiervoor hebben wij een democratisch bestel dat, dankzij de niet aflatende kritische blik van andere politieke partijen en het electoraat, als een waakhond werkt. Daarnaast moeten er natuurlijk kaders gesteld worden aan de fondsenwerving, zoals transparantie over de hoeveelheid per gift en de herkomst van de financiering.
Bovenal biedt het afschaffen van de wet subsidiering politieke partijen een noodzakelijke wake-up call. Het is dé impuls voor hen om mee te gaan met hun tijd en een wereld te ontdekken buiten het klassieke partijlidmaatschap. En het is dé impuls om eens kritisch te kijken naar wat een politieke partij haar leden zou moeten bieden en op welke manier een politieke partij haar kiezers invloed kan geven in het politieke proces.
Naast een aantal principiëlere redenen, blijkt het dus ook een noodzakelijke ontwikkeling om politieke partijen de aansluiting met de samenleving niet te laten verliezen. Wie kan daar nu tegen zijn? Of zijn politici misschien gewoon te keurig om met een collectebus langs de huizen te gaan?
Dit opinieartikel is op 11 maart verschenen in de Volkskrant en is geschreven door Martijn Jonk.
|