Februari 2015: Ik mag toch zeggen wat ik wil?

Opiniestuk:
Ik mag toch zeggen wat ik wil? 

Door: Vijay Jitan, Bestuurslid Politiek en Voorlichting

 
Naar aanleiding van de verschrikkelijke aanslagen in Parijs op het kantoor van het satirisch weekblad Charlie Hebdo, is een belangrijk grondrecht ter discussie gesteld.
De vrijheid van meningsuiting wordt veelal gezien als grenzeloos, vaak hoort u men zeggen: ‘ik mag toch zeggen wat ik wil’? Dit is echter niet zo! Als liberaal ben ik van mening, dat de vrijheid van meningsuiting niet alleen begrensd wordt door de wet. Vrijheid gaat hand ik hand met verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid schept een kader waarbinnen elk individu zijn vrijheid kan belijden. Deze kaders vormen dus de grenzen waardoor de vrijheid van meningsuiting dus niet absoluut is.

Wettelijk verankerd
De Nederlandse Grondwet heeft de vrijheid van meningsuiting opgenomen in artikel 7. Er staat voornamelijk dat de Nederlandse Grondwet preventieve censuur onmogelijk maakt. Echter, achteraf kan de vrijheid van meningsuiting worden beperkt indien de uiting oproept tot haat, geweld of indien de uiting nodeloos kwetsend is. De rechtspraak heeft hiermee invulling gegeven aan de beperkingsclausule die in hetzelfde artikel is opgenomen, namelijk: “…behoudens ieder verantwoordelijkheid volgens de wet.” De vrijheid van meningsuiting is daarom, om praktische en wettechnische overwegingen niet absoluut.

J.S. Mill on Liberty
In het boek ‘on Liberty’ definieert filosoof John Stewart Mill zowel de burgerlijke als sociale vrijheid, als de vrijheid an sich. Waarbij vrijheid mede omvat: de aard en de beperkingen van de macht die door de maatschappij wettelijk mag worden uitgeoefend op het individu.
Echter, stelt Mill daar tegenover, dat de maatschappij haar autoritair gezag over een individu alleen dan mag uitoefenen indien diens gedrag schade berokkent aan anderen. Al het andere is een inbreuk op persoonlijke vrijheid. Hiermee introduceert Mill de zogeheten ‘Harm Principle’ waarmee hij dus in feite aangeeft, dat de vrijheid van meningsuiting wel degelijk grenzen kent, indien er sprake zou zijn van een duidelijk gevaar die anderen fysieke schade zou aanbrengen ( ‘clear and present danger’ en ‘molesting others’). De vrijheid van meningsuiting mocht geen oproeping tot direct geweld inhouden. De geest van onze huidige Grondwet is dus in lijn met de opvatting die J.S. Mill heeft op zijn definitie van vrijheid.

Je ne suis pas Charlie
Als jurist in opleiding heb ik de vrijheid van meningsuiting bestudeerd aan de hand van haar grondwettelijk fundament. Door te duiken in de rechtspraak en de rechtsfilosofie heb ik mij laten inspireren, door denkers als Mill maar ook Oliver Wendel Holmes die met zijn legendarische uitspraak : “The right to swing my fist ends where the nose of the other man’s begins.” perfect aantoont dat vrijheden niet absoluut zijn. 
Je kunt dus niet zomaar alles zeggen wat je wilt. Deze vrijheden gaan hand in hand met de verantwoordelijkheid die ieder individu met zich meedraagt. Juist daarom is het liberaal, om te stellen, dat de vrijheid van meningsuiting niet absoluut is. Met enige discomfort kijk ik dan ook naar de afgelopen trend, waarbij men meestal niet precies weet, wat deze vrijheden inhouden, maar toch proclameren dat deze absoluut en oneindig zijn. Vaak zag ik de tekst voorbij komen met : “Je suis Charlie, vrijheid van meningsuiting is een absoluut goed en dat moeten wij hier in het westen verdedigen.” Dit is dus al een foute veronderstelling. De vrijheid van meningsuiting is namelijk niet absoluut, omdat de grondwet er beperkingen aan kan stellen en omdat ik van mening ben dat de vrijheid van meningsuiting ten alle tijden getoetst kan worden aan het ‘Harm Principle’ van J.S. Mill. Wat ik in dit stuk, buiten beschouwing heb gelaten is het gevolg van een uitlating, welke de toets van het ‘Harm Principle’ niet doorstaat. Zo’n uitlating valt dan in een ander rechtsgebied. Een uitlating dat de toets van het ‘Harm Principle’ niet doorstaat is een strafwaardige uitlating, dat via het strafrecht tot vervolging kan leiden. Art 137d Wetboek van Strafrecht, stelt namelijk dat uitlatingen die gewelddadig optreden jegens personen tot gevolg kan hebben, strafbare uitlatingen zijn en derhalve een beperking stellen aan de vrijheid van meningsuiting Wederom is hier het ‘Harm Principle’ van Mill terug te vinden in onze wetten.
‘Ik mag toch zeggen wat ik wil’? Behoudens ieders verantwoordelijkheid kun je in beginsel dus zeggen wat je vind. De conclusie is duidelijk, de vrijheid van meningsuiting is niet absoluut.